Buurtschap Heukelom

Betekenis Heukelom

Het toponiem Heukelom heeft twee betekenissen.


  • Hoog HeukelomHeukelom in de betekenis van hoogte of bult is de eenvoudigste verklaring. Overigens past die uitleg wonderwel in de landschappelijke situatie, waarbij de oudere bewoningskern Hoog Heukelom wordt onderscheiden van het jongere Laag Heukelom.


  • Meer algemeen aanvaard is de verklaring van het toponiem Heukelom behorend tot de groep heemnamen. Duidelijker dan de lo-namen, zijn heemnamen terug te voeren op stichtingen uit de Merovingische of Karolingische periode. Heukelom, “Huclum” in de eerste vermelding in 1192, duidt op een hoeve of woning(hem) bij een heuvel(hukila). Laag Heukelomseweg
    Passend in die verklaring is vertaling van het toponiem in de “hoeve van de clan van Hucca”. Archeologisch onderzoek tijdens ontgrondingwerkzaamheden, uitgevoerd tussen 1984 en 1987, van percelen gelegen tussen de Oisterwijksebaan en de spoorlijn Tilburg-Boxtel nabij de grens van Oisterwijk, lijkt de aanwezigheid van bewoning in de Vroege en Late Middeleeuwen te bevestigen.


  • De eerste boerderijen

    De namen Hoog en Laag Heukelom wijzen op het bestaan van twee kernen die grotendeels uit verspreide boerderijen bestonden. De oudste bewoning vinden we in Hoog Heukelom. De eerste boerderijen verschenen door de omzetting van hooi- en weilanden in het lagere beekdal, in akkerland. De Oisterwijksebaan markeerde aanvankelijk de grens tussen de akkercomplexen en de beemdgebieden. Na de ontginning van beemden en hooilanden liep deze weg dwars door Heukelomse akkercomplexen. De nieuwe boerderijen werden bij voorkeur gevestigd op locaties tussen de akkers en de nattere hooi- en weilanden. De noodzakelijke heidevelden lagen voor de Heukelomse boeren over de Voorste Stroom: de Heukelomse gemeint. Archeologische vondsten bevestigen de uitbreiding en verplaatsing van de bebouwing in neerwaartse richting naar de beek. Heukelom noemen we dan ook niet toevallig een beekdalnederzetting.



    Brabantse hoevenlandschap

    Brabants hoevenlandschap

    Ook hier vinden we afzonderlijke domeinhoeven, zoals het complex Durendaal. Dit omgrachte kasteelcomplex, nu op Oisterwijks grondgebied, behoorde nog in de vorige eeuw tot Heukelom. Vanzelfsprekend waren er in Heukelom nog talloze kleinere individuele ontginningen. Deze kampen of bochten in de wildernis bestonden veelal uit een kleine boerderij met een omwalde akker. Na het aaneengroeien van de akkers verdwenen de omwallingen en ontstond er het bekende Brabants hoevenlandschap.


    Van voedergewassen naar landbouw

    De landbouw vormde zonder twijfel de belangrijkste bron van inkomen voor de inwoners van Heukelom. De bijna 50 huisgezinnen in Heukelom in 1792 verdienden alle, met uitzondering van de molenaar, hun bestaan in de landbouw. De kwaliteit van de bouwgrond in Heukelom was beter dan die van de zo arme zandgronden in de meierij. Er lag zandige leem en lossleem aan of nabij de oppervlakte. En dus kon er naast rogge, die overheersend was, ook haver, aardappelen en klaver verbouwd worden.


    Industriële ontwikkeling leidt tot specialisatie

    Omstreeks 1851 hield de boer naast koeien vooral kippen, geiten en schapen. Met de malaise in de landbouw vanaf 1880, met lagere graanprijzen als gevolg van de import van goedkoop Amerikaans tarwe, gingen boeren zich meer toeleggen op veeteelt. Boter vormde, door de hoge prijs die ervoor werd betaald, een belangrijke inkomstenbron voor de landbouwer. Ook kreeg de boer meer belang bij een betere kwaliteit van zijn veestapel. Een boer met zes koeien permitteerde zich al een meid en knecht terwijl een boer met acht of negen koeien een flinke boer was. Het melken en voederen van de koeien was vrouwenwerk.


    De 20e eeuw luidde een periode in van vooruitgang. Kunstmest maakte het mogelijk steeds meer gronden vruchtbaar te ontginnen. De potstal verdween en de koeien graasden op weilanden, die door de introductie van prikkeldraad, eenvoudiger omheind konden worden. Melk en boter werden het belangrijkste marktproduct van de boeren. Revolutionaire ontwikkelingen in landbouwtechnieken maakten het volgen van de door de overheid opgezette landbouwcursussen tot een noodzaak. Na de 2e wereldoorlog heeft middels de Marshallhulp, de agrarische sector een nog grotere vlucht genomen. De gemengde bedrijven gingen specialiseren naar een tak. Melkvee, vleesvee, varkens, of pluimveehouderij. Daarnaast ontstonden ook vollegronds- en kassentuinbouwbedrijven.